Pick Language

Gerda Blees

gerda-blees

Gerda Blees, born in 1985, made her literary debut in 2017 with the short story collection Aan doodgaan dachten we niet (We Didn’t Think About Dying). Her first volume of poetry, Dwaallichten (Wandering Lights), appeared the following year. We Are Light is her first novel and received unanimous rave reviews from the Dutch press. It was awarded the Dutch Booksellers’ Award for 2021 and has been nominated for the prestigious Libris Literature Prize.

 

Winning Book

Wij zijn licht (We Are Light)

Four members of a commune stop eating because they have decided that, from now on, they want to live on light and air. The characters in Gerda Blees’ novel each have their own reasons for this extreme decision, which ends up costing the protagonist, Elisabeth, her life. This magnificent story is loosely based on true events. Each of the 25 chapters opens with the words ‘We are …’ and is told by a different narrator, including Elisabeth’s parents and siblings, her neighbours, her sister’s lawyer, the night, the daily bread, the scent of an orange, dementia, doubt and Elisabeth’s own body. Each narrator has a unique and distinct voice and makes an essential contribution to the novel’s complex tapestry.

wij-zijn-licht

Publishing House

Email Address: 
Organisation: 
Uitgeverij Podium

Agent / Rights Director

Email Address: 
Representative: 
Feline Streekstra

Excerpt

1

Wij zijn de nacht. Wij brengen duisternis en dronkenschap, kattengevechten, slaap en slapeloosheid, seks en sterfgevallen. Wie in alle rust wil sterven, zonder al te veel gedoe en drama, zal dat bij voorkeur doen in ons, de nacht, terwijl de aankomende nabestaanden slapen. Zo zien wij in dit land nachtelijks vele kanker-, hart- en longpatiënten en uitgeleefde oude mensen bijna ongemerkt hun laatste adem uitblazen. Maar ook de minder vredige vormen van sterven zijn ons niet vreemd. Vechtpartijen, auto-ongelukken, moord en doodslag. De gruwelijkheden waarvan wij getuige zijn geweest, u wilt het niet weten, ook niet als u graag naar horrorfilms kijkt en een sterkte maag heeft. En wij willen er niet over praten. Er zijn interessantere manieren waarop mensen kunnen overlijden, zoals de vrouw die op dit moment onze aandacht heeft, bij wie de herkenbare elementen van het vredig sterven samenvallen met verontrustende afwijkende omstandigheden.

     Het herkenbare: een woonkamer met meubels uit de jaren negentig met smakeloze decoratie aan de wanden – grote gekleurde vlinders van metaal, oude muziekinstrumenten in verschillende formaten –, en in die kamer een slapende vrouw met slierterige grijze haren, zo mager en verzwakt dat haar hart het elk moment kan begeven, met naast zich een familielid, haar zus, naar de vorm van het gezicht te oordelen, die met beide handen haar handen omklemt, alsof ze zo probeert de bijna dode in het leven te houden.

     Het afwijkende: al het andere, maar vooral het feit dat de zussen op luchtbedden midden in de kamer liggen, en de aanblik van de rest van het gezelschap, een man van middelbare leeftijd en een wat jongere vrouw, die vanaf de rode bank zitten toe te kijken. Allebei hebben ze bijna net zo weinig vlees op de botten als de stervende; hun wangen zijn ingevallen, hun ogen liggen diep in hun kassen. Hoewel ze niet op het punt lijken te staan te sterven, zien we hun skelet al door hun huid heen schemeren. En aan de manier waarop ze ademen, alsof ze bang zijn te veel zuurstof in één keer binnen te krijgen, is te zien dat ze dan wel niet dood zijn, maar evenmin met volle overtuiging leven. Misschien zitten ze daarom met de ramen dicht in de bedompte warmte van de voorbije zomerdag, en hebben ze het licht uit gelaten, zodat alleen een streep oranje licht van een lantaarnpaal voor het raam tussen de gordijnen door de kamer binnenvalt, schuin over de luchtbedden van de twee liggende vrouwen.

     Die luchtbedden zijn ons hier al vaker opgevallen. Normaal gesproken zijn het er vier, waarop de stervende, haar zus en de twee anderen naast elkaar op de grond liggen te slapen. Verder gebeurt er meestal weinig. Het zijn geen nachtbrakers, behalve de vrouw op de bank, die vaak met wijd open ogen naar het plafond ligt te staren, terwijl haar maag onder de fleecedeken borrelende en zuigende geluiden maakt. Af en toe trekt er een grimas over haar gezicht. Ze balt haar vuisten. Ze bijt op haar knokkels. Ze sabbelt op haar onderlip. Soms valt ze na een paar uur toch nog in slaap, maar vaak kruipt ze ook geruisloos onder haar deken vandaan en sluipt naar de wc om wat water uit het kraantje te drinken, en dat herhaalt zich ongeveer om het uur.

     Ze wekt de indruk dat ze honger heeft, maar nooit hebben we haar kunnen betrappen op een nachtelijk tripje naar de koelkast, zoals zoveel anderen die de slaap niet kunnen vatten door de borrelende leegte in hun maag. In de drie jaar dat we haar zo hebben meegemaakt, hebben we haar maar één keer in de keuken gezien. Eerst was ze een tijdlang voor de slowjuicer blijven staan, die ze over de zijkant aaide alsof het een lief zacht huisdier was, en daarna was ze op haar knieën voor de koelkast gaan zitten, met haar voorhoofd tegen de deur. Meer dan een uur zat ze daar, zonder te bewegen. Toen legde ze haar hand op de hendel. We zagen hoe de spieren en pezen van haar hand zich spanden, terwijl ze met al haar kracht kneep. Haar elleboog bewoog een klein stukje omhoog, en ze liet los. Ze stond op. Wankelde. Greep het aanrechtblad. Boog voorover, het hoofd tussen de knieën. Richtte zich weer op, nu langzamer. Zette een stapje. Haar ogen dwaalden door het kleurloze donker en bleven rusten op een appel die in de fruitschaal op het aanrecht lag. Ze liep ernaartoe, maar pakte hem niet op. Ze boog voorover, bracht haar neus er heel dichtbij, en bleef naar de appel staan kijken.

     Als wij hadden kunnen spreken hadden we haar toegeroepen: ‘Eet dan, vrouw, eet! Niemand houdt je tegen.’ Maar ze at niet. Toen het haar gelukt was zich van de appel los te maken en terug te sluipen naar de woonkamer, trof ze daar de oudste van de vier, degene die nu op sterven ligt, wakker aan, met opengesperde ogen. Geschrokken bleef ze staan, gevangen in de blik van haar huisgenoot, een blik die niets uitdrukte: geen herkenning, geen afkeuring, geen geruststelling. Niets. En op dezelfde expressieloze manier sloten de kijkende ogen zich. Onze hongerige vriendin liet haar schouders zakken, kwam langzaam in beweging en ging weer op haar luchtbed liggen, wachtend tot het daglicht kwam.

Als nacht van de wereld zijn wij niet snel van ons stuk gebracht, maar opvallend vinden we het wel, dat mensen in een land als dit vrijwillig honger lijden, met het voedsel letterlijk binnen handbereik. Alsof ze willen protesteren tegen de overvloed die hun gegeven is.

     En nu is de dood achter de honger aangekomen, niet voor onze chronisch slapeloze, maar voor haar huisgenoot.

     ‘Ze is weg,’ zegt de zus, die zonder de handen van de dode los te laten rechtop op haar luchtbed is gaan zitten. ‘Ik voelde haar overgaan. Heel vloeiend ging het. Wat mooi. Wat bijzonder. Vinden jullie niet?’

     Met onderzoekende ogen kijkt ze naar de andere twee, die nu nog voorzichtiger ademen dan daarnet. ‘Zagen jullie dat? Zagen jullie hoe rustig ze werd toen ik haar handen vastpakte? Eindelijk kon ze zich overgeven. Heeft ze zich overgegeven. Mooi toch, dat ze zo gegaan is? Dat we niet hebben geprobeerd haar tegen te houden? Toch? Petrus? Muriël?’

     Petrus en Muriël verroeren zich niet. Hun gezicht blijft strak, terwijl hun ogen alle kanten op schieten, zoekend naar iets wat in het schemerdonker niet te vinden is. Uiteindelijk zegt Muriël: ‘Mooi, ja.’

     ‘En jij, Petrus? Hoe voelt het voor jou? Wil je daar iets over delen?’

     Petrus sluit zijn ogen en schudt zijn hoofd, alsof hij wordt geplaagd door een insect dat hij niet durft weg te slaan. Zijn voorhoofd glimt van het zweet.

     ‘Geeft niet,’ zegt de zus. ‘Het is ook niet niks om je op zo’n intens moment meteen helemaal open te stellen voor alles wat je voelt. Het is niet niks, dat begrijp ik heel goed.’

     Zonder iets te zeggen staat Petrus op van de bank, doet de achterdeur open en loopt de tuin in.

     ‘Oké, Petrus,’ zegt de zus, en tegen Muriël: ‘Het is oké. Hij zit even in de weerstand. Geeft niet. Dat komt allemaal later wel. Elisabeth is nu het belangrijkste. Kun jij mij de telefoon geven? En het nummer van de huisarts? Het lijkt me beter dat ik nu even bij haar blijf. Ik denk dat dat prettig voor haar is.’

     Muriël staat op, loopt naar een rugtas in een hoek van de kamer, pakt er een mobiele telefoon uit en geeft hem aan de zus. ‘Het nummer moet ik even opzoeken.’ Ze gaat aan tafel zitten en opent de laptop.

     ‘Lief van je Muriël,’ zegt de zus. ‘Heel lief. Wat fijn dat we samen zijn. Dat we allemaal samen waren bij Elisabeth. Dat moet ze gevoeld hebben. Dat voelt ze. Want ik voel zelf wel dat ze nog in deze kamer is. Jij niet?’

     ‘Wat zeg je,’ zegt Muriël op vlakke toon.

     ‘Dat ze nog bij ons is. Elisabeth. Ik voel haar aanwezigheid eigenlijk nog heel sterk. Maar ik ben natuurlijk ook haar zus.’

     Muriël knijpt haar ogen dicht en fronst haar voorhoofd. Dan spert ze haar ogen open. Het blauw-witte licht van de laptop maakt haar gezicht nog spookachtiger dan het al was. ‘Ja,’ zegt ze, ‘ja, ik voel haar ook, ja.’ Ze knikt even naar het lichaam van Elisabeth en kijkt dan weer op het scherm. ‘’s Avonds en ’s nachts belt u de huisartsenpost, staat hier.’ En ze begint getallen op te sommen die de zus intoetst op de mobiele telefoon.

     ‘Ja, hallo. Met Melodie van Hellingen. Ik bel over mijn zus.’

     Vanaf hier versnellen we een beetje, analoog aan de ervaring van iedereen die weleens een hele nacht wakker is gebleven, dat de tijd eerst langzaam ging maar dat het toen plotseling ochtend was.